Rond de jaarwisseling spraken we vaak over oud en nieuw. Je kunt het gerust een vaste uitdrukking noemen. We begrijpen allemaal waar het op slaat: het oude jaar ligt achter ons, het nieuwe staat voor de deur. Maar geldt in Bijbels licht niet precies het omgekeerde?
Nieuwtestamenticus Donald Hagner schreef jaren geleden een prachtig boekje met (vertaald) de titel: Hoe níéuw is het Nieuwe Testament? Dat is een fascinerende vraag. Het Bijbelonderzoek van de laatste jaren benadrukt sterk de continuïteit tussen het Oude en Nieuwe Testament. Dat is grote winst. Ook de aandacht voor het feit dat de Heere Jezus een Jood was (net als Paulus), en we Hem daarom vanuit de Joodse context moeten begrijpen, is toe te juichen. Dat is weleens anders geweest. De keerzijde is echter dat wie alleen de doorgaande lijn benadrukt, het punt mist dat Jezus’ komst naar de aarde de tijd voorgoed veranderd heeft. Je struikelt in het Nieuwe Testament over woorden als een nieuw gebod, de nieuwe mens, de nieuwe gehoorzaamheid, een nieuw verbond, de nieuwe schepping, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, de nieuwe leer, de nieuwe wijn, een nieuw lied, het nieuwe Jeruzalem. We zouden zonder moeite een tijdje door kunnen gaan.
Hoe voorkomen we dat we een lap van een nieuw bovenkleed op een oud bovenkleed naaien? Het nieuwe past immers niet bij het oude (Luk. 5:36)? Wat de Heere Jezus meebrengt, is niet het oude met een kleine update, maar werkelijk nieuw – splinternieuw. Zijn we ons daar voldoende van bewust? Naar mijn mening niet. Er schuilt een gevaar in het opsluiten van de Heere Jezus en Paulus in de Joodse context. Want waarom werd Hij door Zijn volksgenoten gekruisigd? En van wie had de apostel het meest te duchten? Om welke reden?
Het (splinter)Nieuwe Testament
Het Nieuwe Testament gebruikt twee woorden om het nieuwe aan te duiden. Een voor iets nieuws in de tijd, het ander voor iets nieuws wat een hoedanigheid betreft. Anders gezegd: het eerste wijst naar iets wat er nog niet eerder (in de tijd) was, het tweede – ook vaker gebruikt in het Nieuwe Testament – duidt een kwalitatief onderscheid aan. In de woordenboeken komt de betekenis van dít Griekse woord in de buurt van ‘verrassend’, ‘ongehoord’, en zelfs ‘miraculeus’. Het is daarom vooral dit woord dat wordt gebruikt om het heilswerk van de Heere Jezus te beschrijven en waar het Nieuwe Testament zijn naam aan ontleent. Volkomen terecht; je kunt het werk van Christus niet zomaar afleiden uit wat er al was. Hij vervult, zeker, maar Hij vernieuwt ook. Wat Hij brengt, is nieuw in de tijd, maar niet alleen dat. Het is vooral nieuw in hoedanigheid, superieur aan het oude.
Sommigen spreken bij voorkeur over het eerste en tweede Testament als het om de twee delen van de Bijbel gaat. Het woordje ‘Oude’ zou denigrerend zijn. Begrijpelijk, maar toch ben ik daar geen voorstander van. Nieuw is werkelijk níéuw!
Zouden kerkenraden een in onze ogen zwakkere broeder durven beroepen?
Nieuwe en oude dingen
De evangelist Mattheüs noteert een bijzonder woord dat het nieuwe zelfs met nadruk voorop plaatst: “Daarom, iedere schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt” (Matth. 13:52). Uitleggers vermoeden dat Mattheüs met deze woorden een cryptische handtekening zet; hij is zélf de Schriftgeleerde die het Oude Testament in een nieuw licht zet. Daar is inderdaad veel voor te zeggen. In de context van hoofdstuk 13 van het Mattheüsevangelie gaat het erom dat de Heere Jezus in precies zeven gelijkenissen de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen uitlegt. Tussen haakjes: Mattheüs gebruikt de uitdrukking ‘Koninkrijk der hemelen’ niet zozeer om de naam van God (voor zijn Joodse lezers) te vermijden. Dat is slechts ten dele waar. De klemtoon valt op het feit dat het Koninkrijk waar Jezus over spreekt bij de hémel hoort en op geen enkele manier door menselijke inspanningen tot stand komt. Het komt bij God vandaan, uit de hemel. Vandaar dat er velen zijn die van de gelijkenissen niets begrijpen (Matth. 13:13-15).
Schriftgeleerde
Nieuwtestamenticus David Orton schreef een boeiende studie waarin hij aantoont dat de Schriftgeleerde uit Mattheüs 13 vers 52 in de lijn staat van Schriftgeleerden als Ezra, Daniël, Jeremia en andere profeten. Het gaat erom dat ze Gods Woord glashelder lieten oplichten in de context waarin zij leefden, zodat de boodschap profetische gloed kreeg. Bij de heer des huizes uit het Mattheüsevangelie komt daar nog bij dat het opdiepen van nieuwe en oude schatten plaatsvindt in een tijdsgewricht dat met de komst van Christus onder stroom is gezet. Met een lastig woord: een apocalyptische wereld. Het Koninkrijk is nabijgekomen (Matth. 3:2; 4:17). We leven sinds Jezus’ komst in het heden van de toekomst. Dan vullen praatjes inderdaad geen gaatjes – zeker de krater die de zonde sloeg niet. Het is nu erop of eronder. Het Woord verstikt óf het draagt vrucht, daar zit niets tussen (Matth. 13:22-23). De engelen sorteren op slechten of rechtvaardigen, en ook daar zit niets tussen (Matth. 13:49). Logisch dat de mensen bij het horen van dit onderwijs buiten zinnen raken (Matth. 13:54). Precies dát is het nieuwe wat maar niet vanzelfsprekend volgt uit het oude.
"*" geeft vereiste velden aan